Artikel van de Maand
Gert van Harten, hoofd AMK Gelderland, over beleid tegen kindermishandeling:
'De regelgeving in Nederland stamt nog uit begin vorige eeuw'
Door Ester Mijnheer
Hoewel het aantal adviezen en meldingen over kindermishandeling de afgelopen drie jaar bijna verdubbeld is, betreft dit slechts een klein deel van het aantal kinderen dat mishandeld wordt. Volgens de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling moeten er strengere maatregelen komen om vooral preventief iets te kunnen doen. ‘Ook de pedagogische tik moet verboden worden.’
Uit onderzoek blijkt dat ten minste tachtigduizend kinderen per jaar ernstig worden mishandeld. Vorig jaar werden ruim twintigduizend gevallen voorgelegd aan de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling (AMK’s), tien procent meer dan het jaar ervoor. Toch is het nog slechts een kwart van het aantal gevallen van kindermishandeling. Hoewel Gert van Harten, hoofd van het AMK Gelderland, blij is dat het aantal meldingen blijft groeien, vindt hij dat het nog veel beter kan. Om meer bekendheid te geven aan het werk van de AMK’s, worden er in alle regio’s campagnes opgezet, maar de financiering hiervoor is nog niet rond. Ook willen de AMK’s dat er Postbus 51-spotjes op de landelijke zenders komen.
Van Harten: ‘We willen dat er permanent aandacht is voor het probleem kindermishandeling. De aandacht is er nu in vlagen, terwijl het probleem natuurlijk constant speelt.’ Het niet melden van kindermishandeling komt voor een deel voort uit onwetendheid bij mensen, maar er zijn ook professionals die geen melding doen. ‘Er zijn bijvoorbeeld leerkrachten die zeggen dat ze geen melding doen omdat ze het contact met de ouders en kinderen niet willen verliezen. Ik verdenk ze er wel eens van dat ze zich achter excuses verschuilen omdat ze het doodeng vinden om aan de bel te trekken. Maar als de school nog de enige veilige plaats is voor een kind moet je er natuurlijk voor moet zorgen dat die plek niet verspeeld wordt. Juist door de samenwerking tussen AMK en school kan in het belang van het kind gehandeld worden.’
Is de angst van leerkrachten dan niet gegrond dat ouders hun kinderen van school halen als deze erachter komen dat vanuit de school een melding van kindermishandeling is gedaan?
'De kans is groot dat de ouders hun kind van school halen wanneer de school het AMK er meteen op afstuurt en zelf anoniem blijft. Dan reageren ouders veel kwader dan dat de scholen er zelf mee aan de slag gaan. Ze zullen er dan alles aan doen om er achter te komen wie de melding heeft gedaan. Als leerkrachten vermoeden dat er sprake is van kindermishandeling, is het dus beter dat ze zelf contact leggen met de ouders. Voordat ze een gesprek aangaan, kunnen ze bij ons advies vragen over hoe ze het moeten aanpakken. Door een gesprek goed aan te pakken kunnen leerkrachten laten zien dat ze willen helpen. Natuurlijk is er een aantal ouders dat zal ontkennen dat er wat aan de hand is, maar vaak is er ook opluchting. Veel ouders handelen uit onmacht en vaak zijn ze blij dat de vicieuze cirkel doorbroken kan worden. Reageren de ouders niet, dan wordt alsnog het AMK erbij gehaald. In principe kunnen scholen aangeven dat ze anoniem willen blijven voor de ouders, maar dat raden wij niet aan.'
Wat doet het AMK met anonieme meldingen?
‘We nemen in beginsel geen meldingen aan waarbij de melder anoniem wil blijven ten opzichte van het AMK, maar het kan gebeuren dat een melding zo ernstig klinkt dat we er toch achteraan gaan. Vooral om valse meldingen te voorkomen en om in sommige gevallen nog te kunnen overleggen, willen we dat de melders hun identiteit bij ons bekend maken. Maar ze kunnen er wel voor kiezen om hun naam niet bekend te maken bij de ouders van de kinderen om wie het gaat. Alleen professionals die in het gezin met de ouders en het kind werken, maken de melder bij de ouders bekend. Van artsen, onderwijzers en andere professionals willen we liever ook dat ze openlijk zijn tegen de ouders. Vijftig procent van de meldingen komt van familie en buren. Voor hen kan het erg belangrijk zijn dat de ouders niks weten van hun melding. Ze hebben vaak al nachten wakker gelegen voordat ze besluiten om het vermoeden van kindermishandeling door te geven. Ze weten vaak niet dat ze eerst vrijblijvend om advies kunnen vragen. In sommige gevallen adviseren we om meteen een melding te doen, maar soms raden we ook aan om zelf een gesprek met de buren te beginnen. Als de buren anoniem willen blijven voor de ouders die hun kind mishandelen, moeten we in het dossier erg voorzichtig zijn met de formuleringen. We moeten er dan voor zorgen dat de informatie in het dossier niet herleidbaar is tot de melder. Ouders kunnen namelijk altijd inzage vragen in hun dossier. Als in het dossier de melding staat dat er ’s nachts tegen de kinderen geschreeuwd wordt en dat ze mishandeld worden, is meteen duidelijk dat de buren dit gemeld hebben.’
Vindt u dat er op dit moment genoeg wordt gedaan om kindermishandeling te voorkomen?
‘Nee, er kan nog veel meer aan preventie gedaan worden. Bovendien is er vrijwel nog geen onderzoek naar gedaan. Ik vind dat wijkverpleegkundigen en consultatiebureaus veel sterker ingezet moeten worden bij deze problematiek. Wijkverpleegkundigen zouden al voor de bevalling met de ouders contact moeten hebben. Als zo’n verpleegkundige het gezin en de wijk beter leert kennen, kunnen problemen veel eerder worden gesignaleerd. Factoren die het risico op mishandeling vergroten, kun je al vroeg herkennen. Als een ouder vroeger zelf mishandeld is, de relatie tussen de ouders slecht is, de woonomstandigheden niet optimaal zijn en er is ook nog werkloosheid in het spel, dan is dat echt een groot risico op kindermishandeling. Als een aantal van deze risicofactoren in een gezin gesignaleerd wordt, dan moet er extra ondersteuning en controle plaatsvinden. De consultatiebureaus zijn hiervoor bij uitstek geschikt. Maar dan moet er wel veel meer geld naartoe dan momenteel het geval is.’
Afgelopen jaar zijn tweeduizend meldingen op de plank blijven liggen door personeelsgebrek. Om dit op te lossen is geld nodig, maar ook de campagnes zijn duur. Hoe gaat u hier mee om?
‘Natuurlijk is er extra geld nodig om meer personeel aan te trekken. Maar als daardoor het geld van het budget van de Bureaus Jeugdzorg wordt afgehaald, dan heeft het weinig zin. Het probleem wordt in dat geval alleen maar verplaatst. Wij bieden zelf geen hulp, maar we organiseren het. Als wij met extra geld meer mensen kunnen doorverwijzen, dan moet er ook plaats zijn in het vervolgtraject. Er is een schrijnend voorbeeld van gebrek aan hulpverlening. Een moeder die bij ons gemeld was, gaf aan dat ze hulp wilde bij de opvoeding van haar kind. Ze werd op een wachtlijst gezet voor intensieve ambulante hulpverlening. Wachttijd: zes maanden. Ondertussen werden de problemen alleen maar erger. Uiteindelijk hebben we de kinderbescherming erbij moeten halen, terwijl de moeder al in een veel eerder stadium hulp had willen en moeten krijgen. Daarom is er in totaal gewoon veel meer geld nodig. Wij ontvangen output-financiering van de provincie, maar dat moet in de toekomst tussentijds bijgesteld kunnen worden. Als er meer meldingen komen dan verwacht, dan moet er natuurlijk wel extra geld vrijgemaakt kunnen worden.’
In Zweden is in 1979 een verbod op het slaan van kinderen binnen het gezin in werking getreden. Moet Nederland volgen?
‘Ik vind dat hier ook een wettelijk verbod moet komen op fysiek geweld in gezinnen. Volgens recente cijfers komt fysieke mishandeling in Zweden vrijwel niet meer voor. Twintig jaar na de invoering is ook het geweld op straat verminderd. In Nederland is de zogenaamde pedagogische tik heel normaal, maar wij vinden dat al het geweld tegen kinderen verboden moet worden. Uit onderzoek blijkt dat slaan een kind schaadt. Ook zijn er andere manieren om grenzen te stellen voor kinderen. Ouders moeten hiervoor alternatieve manieren aangereikt krijgen. We lopen hier achter met opvoedingsondersteuning. In omringende landen is het al heel gebruikelijk dat de overheid ouders toerust voor de opvoeding. Ouders die een kind verwachten, krijgen in veel landen al cursussen aangeboden. Nederland liep altijd voorop in deze problematiek, maar veel landen hebben ons inmiddels ingehaald. De regelgeving is hier nog gebaseerd op die van de jaren twintig van de vorige eeuw. Helaas is er vanuit de politiek nog onvoldoende steun voor het verbieden van slaan. Dit najaar zal de Tweede Kamer een voorstel behandelen dat de positie van het AMK wettelijk regelt en de positie van melders beter beschermt. Wij zullen de wenselijkheid van een verbod op fysiek geweld dan opnieuw aan de orde stellen.’