naar overige artikelen

“Ik huil de tranen van mijn ouders”

Betrokkenheid van jongeren op hun gezin is vaak de oorzaak van depressies en verminderde schoolprestaties.

drs. Wim van Mulligen


Depressie kan op vele manieren belicht worden. Men kan de aandacht richten op waar de oorzaak ligt van de depressie. Dat is gebaseerd op een visie die ook helpend kan zijn bij het wegnemen van oorzaken. Je kan oorzaken zoeken in de psyche van mensen, of in hun aangeleerde gedrag, ook kan gezocht worden naar biologische, biochemische of genetische oorzaken. Hierover wil ik het in dit artikel niet hebben.

Verder is het boeiend om de verschijningsvorm van depressie te belichten. Het gedrag van depressieve jongeren is vaak erg verhullend. Niet vaak voldoen depressieve jongeren aan het stereotype beeld wat wij hebben van depressiviteit: in elkaar gezakt, het zware hoofd ondersteunend, hopeloos. Reddeloos radeloos en redeloos verloren. Veelal zit de depressie verborgen achter irritant gedrag, zich snel gekwetst voelen, gebrek aan eetlust of juist vraatzucht, slapeloosheid of juist veel slapen, chronische vermoeidheid, gebrek aan eigenwaarde, concentratie problemen, obsessief hard werken, besluiteloosheid. Behalve de aanbeveling deze symptomen goed in de gaten te houden wil ik het ook hier niet over hebben.

Oorzaak en verschijningsvorm zijn twee aspecten van de depressie. Ze zijn heel individueel op de depressieve mens gericht. Als je je gaat richten op het oplossen van de neerslachtigheid dan dient zich al onmiddellijk een relationeel probleem aan: hoe kom je zo in contact met de jongere, dat datgene wat je doet, adviseert etc. ook over komt.

De aanpak van een depressie is voor een belangrijk deel een relationeel probleem. Laat mij uitleggen hoe complex dat in elkaar zit en hoe het gezin van het kind daarmee te maken heeft.
De weigering van de jongere om een adequaat contact aan te gaan met iemand die hem probeert te helpen en hem positief benadert is een veelzeggende boodschap van het kind aan zijn omgeving. Het verzet tegen een intentioneel positief contact geeft aan dat het kind niet voldoende vertrouwen meer heeft in wat zijn omgeving hem aanbiedt.

Van nature investeert een mens, en een kind zeker, in zijn omgeving. Hierop berust immers de drang van de mens om te onderzoeken, exploreren en te construeren, te willen helpen, het opbouwen van de wereld. Het meest investeert de mens en daarmee ook het kind in voor hem of haar relevante anderen. Een kind zal dan ook vooral investeren in diegenen waar hij zijn bestaan aan te danken heeft, zijn ouders en zijn gezin waar hij in leeft. Hij levert daarmee een bijdrage aan de positieve relatie tussen hem of haar en de ouders. Het is van groot belang voor de ontwikkeling van het kind dat deze investeringen herkend en op hun merites gewaardeerd worden. Het kind kan dan autonoom worden, zichzelf als een gewaardeerd iemand onderscheiden van de wereld om zich heen. Dat gaat gepaard met een groeiende eigenwaarde, je bent dan betekenisvol voor anderen en daarmee voor jezelf.

Maar als nu de ouders niet in staat zijn om hun kind te waarderen voor zijn inspanningen, als zij die niet zien, dan geeft dat kind steeds maar zonder dat het daarvoor de noodzakelijke erkenning krijgt. Dit werkt verlammend voor het kind, het maakt moedeloos en onzeker over het eigen bestaansrecht. Want wat ben je waard als je eigen ouders niet zien wat je doet in de wereld?

Het kind kan ook op verschillende manieren investeren in relatie met de ouders. Het wil de ouders, vaak een enige ouder, helpen, tot steun zijn in praktische zin maar vooral emotioneel. Hier ligt een belangrijke oorzaak van buitensporig vaak thuis blijven, veelvuldig ziek zijn, schoolfobie of beter angsten om van thuis weg te gaan.

Een andere manier van investeren is het lastige gedrag van kinderen en pubers, dit om de aandacht af te leiden van spanningen bij of tussen de ouders. Het klinkt wat paradoxaal maar het werkt zeer effectief.
Een derde vorm is dat het kind zijn eigen zorgen, lasten en problemen niet aan zijn ouders wil vertellen omdat deze het al moeilijk genoeg hebben (met elkaar). Dit komt heel veel voor en het is in zulke gevallen voor zo’n kind enorm bedreigend als de leerkracht of de leerlingbegeleider voorstelt om contact op te nemen met de ouders. Het kind zal dat kost wat kost proberen te voorkomen. Alle investeringen zouden dan voor niets geweest zijn. Het zijn deze kinderen die aan hun moedeloosheid en vermoeidheid proberen te ontsnappen door gebruik van drugs, verdovend om de pijn minder te voelen, stimulerend om je sterk te voelen. Sommigen zijn zelfs intensief met de dood en suïcide bezig.

Wanneer ouders het investeren van hun kinderen niet kunnen zien, moeten we er niet op uit zijn hen te blameren, want dan krijgt het kind nog meer werk te doen, vóór de ouders, tegen degene die hen blameert. Er kunnen namelijk ook heel legitieme redenen zijn waardoor zij dat niet kunnen zoals bijvoorbeeld ziekte van een van de ouders, kinderen of grootouders, overlijden van een dierbare of moeilijkheden rondom het werk. Bovendien zijn deze ouders ooit ook kinderen geweest, soms in moeilijke omstandigheden. Hoezeer zijn zij vroeger gezien door hun ouders in hun investeringen. Wat hebben zij nog te goed? Zijn ze wel in staat om hun kinderen te zien in hun geven als ze zelf nooit gezien zijn. Als zij nog zoveel te goed hebben zullen ze dat eerder verhalen op hun kinderen, die als vanzelf zoveel geven, zonder dat te zien.
Het te veel geven van het kind zonder dat daar iets voor terugkomt maakt neerslachtig en hopeloos. Het kind leert dat het geen zin heeft om te investeren want het levert toch nooit iets op. Dit wordt dan het grondpatroon van het handelen van het kind, zonder dat het zich daar erg van bewust is.

Als leerlingbegeleider of als leerkracht is het van groot belang deze verbondenheid van het depressieve kind met de ouders voortdurend voor ogen te houden. Het helpt bij het zorgvuldig aftasten en afwegen wat de hulpmogelijkheden zijn voor dit kind in het bijzonder.
Tevens opent zich hier een perspectief om het kind zelf te helpen. Waar een depressief kind ons lijkt uit te nodigen ons in te spannen om hem of haar te steunen, te helpen, in hem/haar te investeren, blijkt het kind eerder behoefte te hebben aan erkenning voor wat het voor anderen betekent. Dit betekent niet dat we mechanisch moeten gaan opsommen waar het kind allemaal goed in is (sport, muziek etc.), want daar gaat het niet om. Waar het wel om gaat is dat hij/zij betekenis heeft voor anderen, waardering merkt voor wat hij investeert, op school, in vrienden en op de allereerste plaats in zijn gezin. Als een leerkracht de ouders zo weet te betrekken dat zij het geven van hun kind kunnen gaan zien dan zou de depressie snel kunnen verdwijnen.
De behoefte aan openheid is er, - het kind zoekt vertrouwen, veiligheid en respect voor zijn inzet.
Als het kind dan huilt, zichtbaar of niet, dan huilt het de tranen van zijn ouders.



Literatuur

Atkinson, R.L. & Atknson, R.C. & Hilgard, E.R., Introduction to Psychology,
Rarcourt Brace Jovanovich, 1983, San Diego

Boszormenyi-Nagy, I. & Krasner, B.R., Tussen geven en nemen,
De Toorts, 1994, Haarlem

Boszormenyi-Nagy, I. & Sparks, G., Invisible Loyalties,
Harper & Row, 1973, New York

Cebula, J., Toward a contextual theory of depression,
unpublished article

Diagnostische criteria van de DSM-IV, American Psychiatric Association,
Swetz & Zeitlinger, 1996, Lisse

Goldenthal, P., Doing Contextual Therapy,
W.W. Norton & Company, 1996, New York

Heusden, A. van & Eerenbeemt, E. van den, Balans in beweging,
D
e Toorts, 1983, Haarlem

Sarason, I.G. & Sarason, R.S. Abnormal Psychology
P
rentice-Hall, 1987, New Jersey



naar overige artikelen