naar overige artikelen

Zijn leerlingen problemen of hebben ze problemen?

Door Jan Ruigrok
Trainer/adviseur bij KPC Groep in ‘s-Hertogenbosch


Tijdens de excursie naar het pretpark is Liban zijn verbale taal is volkomen tegengesteld aan zijn non-verbale. ‘Ja mevrouw, natuurlijk doe ik dat’, zegt hij terwijl iedere vezel in zijn lijf verraadt dat hij het uit zijn hoofd zal laten ooit te doen wat gevraagd wordt.

Wanneer meneer Brokerhof tijdens de les op zijn geliefde stokpaardje, genaamd cynisme, ten strijde trekt, kun je de klok er op gelijk zetten dat na drie van zijn harde grappen Martin een opmerking maakt die iedereen zo doet lachen dat het stokpaardje van meneer Brokerhof in een machteloze muis verandert. Martin eindigt de les dan ook vaak op de gang.

Mentor Lilian ziet dat het niet goed gaat met Hanife en nodigt haar uit voor een gesprek. Hoe meer ze zich inspant contact met Hanife te krijgen, hoe meer zij zich lijkt af te sluiten. Docenten zien Vivian steeds magerder worden. Haar ouders zeggen dat ze normaal eet. Aan haar mentor vertelt Vivian dat ze na het eten vaak haar vinger in haar keel steekt om over te geven.

Als docent Kas een dag achter de rug heeft waarop zijn leerlingen hem het vuur aan de schenen hebben gelegd, is de kans een stuk groter dat hij ’s avonds bij zijn partijtje zaalvoetbal tegen een rode kaart oploopt.

Mensen gooien hun kont tegen de krib, je kunt geen land met hen bezeilen, ze trekken zich niets aan van wie of wat dan ook, ze beschadigen anderen, zichzelf of bushuisjes. Op de meest uiteenlopende wijze kunnen mensen gedrag vertonen waarmee ze anderen of zichzelf schade berokkenen: destructief gedrag. Het kan zich uiten in demotivatie, pestgedrag of ander geweld of in depressie.

Mensen zien weerstand vaak als iets negatiefs; iets waar je ‘doorheen’ moet. Weerstand als belemmering. Voor zwemmer Marcel Wouda bestaat het geheim van zijn wereldsucessen uit het minimaliseren van zijn weerstand in het water. Het is de ene kant van weerstand. De andere kant is dat je weerstand nodig hebt om te overleven. Weerstand beschermt je tegen enge ziektes en tegen enge mensen. Weerstand is als vuur. Je kunt er een potje op te koken, je er warm en veilig bij voelen. Je kunt er ook alles wat je lief en niet lief is mee tot op de grond toe afbranden. Op het moment dat mensen met de vernietigende kant van weerstand anderen of zichzelf schade berokkenen, spreken we van destructief gedrag.

Je kunt op verschillende manier naar weerstand en destructief gedrag kijken en van daaruit zoeken naar manieren om er mee om te gaan. Je kunt de uitdaging aangaan te onderzoeken hoe weerstand zowel van leerlingen als die van jezelf constructief ingezet kan worden. De kracht waarmee op ene moment schade toegebracht wordt, kan op andere momenten de mooiste dingen teweeg brengen.


Weerstand: een vorm van destructief gedrag
Het kan niet anders dan dat iedereen in zijn leven pijn en onrecht ervaart. Soms mild, soms genadeloos hard. Leerlingen krijgen nadat ze hard gewerkt hebben een onvoldoende en vervolgens het verwijt dat ze lui geweest zijn. Iemand op wie je verliefd bent moet niets van je hebben, ouders scheiden; kinderen worden gepest, mishandeld, groeien op in oorlogsgebieden. Door het opgelopen onrecht verwerft een mens destructief recht. Populair gezegd: ‘Het lekker-net-goed-gevoel’. Het is de vraag of dit so-wie-so leidt tot destructief gedrag, bijvoorbeeld zich uitend in weerstandsgedrag tegen leraren ( brutaal, ongemotiveerd, pesten). Het lukt veel mensen soms ook om vanuit destructief recht te komen tot juist constructief gedrag: je haalt motivatie uit het aangedane onrecht en wil jezelf en anderen laten zien wat je wel kunt! Tegenslag kan een leerling juist ook sterk maken! Of een leerling dit lukt hangt af of zijn opgelopen onrecht wordt erkend door de buitenwereld. En ook of er voor deze leerling voldoende hulpbronnen zijn om aan die erkenning vorm te geven.

Destructief gedrag dat leerlingen tegen de leraar richten, is meestal niet primair voor hen bedoeld. De bron kan in het verleden en/of in het heden liggen. Die wetenschap, kan weerstand acceptabeler maken. En wanneer die acceptabeler is, beïnvloedt dat het gedrag van de leraar waardoor de kans bestaat dat het destructief gedrag bij de ander afneemt, groter is. Ook kan de leraar, als hulpbron, op zoek gaan naar het bij de leerling aangedane onrecht en daar erkenning aan geven. Uiteraard is het kunnen erkennen van iemands onrecht iets anders dan het goedkeuren van zijn gedrag.

Leerlingen kunnen last hebben van hun eigen destructief gedrag. Bijvoorbeeld omdat het weer destructief gedrag van anderen oproept: je klappen van klasgenoten, straf, je wordt de gang op gestuurd, van school verwijderd en ga zo maar door. Wie leerlingen wil helpen kan binnen de grenzen van zijn professionaliteit met hen op zoek gaan naar de bron van het destructief gedrag en met hen onderzoeken of in hoeverre dat in het hier en nu effectief is.

Gerard werd op zijn vorige school gepest. Die ervaringen hebben ertoe geleid dat hij in zijn huidige klas afstandelijk en gesloten is. Hij voelt zich een buitenbeentje en eenzaam. Gerard doet daarmee zichzelf onrecht aan, maar ook zijn klasgenoten die uiteraard liever een klasgenoot hebben waarmee ze goed contact hebben. Zijn leerkracht laat hem stapje voor stapje merken dat zijn gedrag, dat vroeger een nuttige overlevingsstrategie was, nu niet meer nodig is. Langzaam maar zeker laat Gerard zijn weerstand varen. Na een half jaar is Gerard er helemaal bij en is hij één van de meest actieve en positieve leerlingen van de klas. De pijn uit het verleden doet hem nu beseffen hoe gelukkig hij in deze klas is. Zijn destructief gedrag heeft hij omgezet in constructief gedrag.


Ik wil dat je anders met me omgaat.
We keken naar de bron van de weerstand in het verleden. De oorzaak kan ook in het hier en nu liggen: in de manier waarop leraar en leerling met elkaar omgaan: de interactie. Leerlingen die veel weerstand vertonen, zeggen in feite ‘ik wil dat je anders met me omgaat’. Een leraar die gevoed door onrecht dat hem is aangedaan met cynische opmerkingen leerlingen onder de duim houdt, en daarmee destructief gedrag vertoont, roept daarmee bij hen nog meer destructief gedrag op. Dat kan zich richten op hem, of wanneer de repressie daarvoor te groot is op klasgenootjes of leraren die minder sterk in de orde zijn.

Leraren die over een eenzijdig gedragspatroon beschikken, krijgen het vaak moeilijk. Dat geldt voor de eeuwige bullebak, zowel als voor de altijd vriendelijke en begrijpende leerkracht die op den duur slecht bestand zal zijn tegen leerlingen die hun destructief gedrag op hem botvieren. Destructief gedrag van leerlingen nodigt de leraar uit zijn streng te zijn. ‘Ik ben streng omdat zij vervelend zijn, en als zij zich nu eens wat positiever zouden opstellen, kon ik ook wat vriendelijker zijn’, zegt de leerkracht. De visie van de leerlingen laat zich raden: ‘Logisch dat we bij deze leraar vervelend zijn. Als hij eens wat vriendelijker zou zijn, zouden wij ook gezelliger zijn’. Leerlingen veranderen die daar de noodzaak niet toe zien is vrijwel onmogelijk. Makkelijker is het jezelf te veranderen: dat heb je zelf in de hand. En het leuke is dat dat vrijwel altijd tot gevolg heeft dat de ander ook verandert.


Een verstoord evenwicht
De theorie van de loyaliteit leert dat relaties pas gezond zijn wanneer er een evenwicht is tussen geven en ontvangen. Een gebrek aan evenwicht roept weerstand op. Leerling Martin die een grap maakt op het moment dat de spanning in de klas te hoog oploopt, geeft daarmee iets aan zijn klasgenoten. Vanuit hun perspectief is het constructief gedrag. Met hun schaterlach geven ze hem iets terug. Ze werken aan evenwicht. Leraar Brokerhof ziet de grap als destructief gedrag en stuurt Martin de gang op. Het evenwicht tussen die twee wordt verder verstoord. Te veel geven zonder er op gepaste wijze iets voor terug te krijgen roept destructief gedrag op. Te veel ontvangen ook. Kinderen die bedolven worden onder liefde, aandacht, zorg, materiele luxe, hulp, zonder dat zij op gepaste wijze iets terug kunnen geven, verstikken onder alles wat zij ontvangen. Steeds meer krijgen zij het gevoel ‘Ik doe er niet toe, ik ben er blijkbaar alleen maar om te ontvangen.’. Het kan niet anders dan dat dit leidt tot gebrek aan eigenwaarde en destructief gedrag.

Leraren geven vaak veel aan hun leerlingen, zeker wanneer het leerlingen zijn die meer zorg dan anderen nodig hebben. Maar leerlingen die veel ontvangen hebben ook het ‘recht’ veel te geven. Een goede leraar is dan ook ontvankelijk voor wat zijn leerlingen geven. Het zijn vaak kleine dingen: genieten van de aanwezigheid en de inzet, een glimlach van leerlingen.

Het valt lang niet mee om te gaan met destructief gedrag van leerlingen dat zich uit in agressie en weerstand. Het helpt daarbij als je kijkt naar de definitie die je geeft aan lastig leerlingengedrag. Het maakt veel uit of je zegt ‘de leerling is een probleem’ of ‘de leerling heeft een probleem’. De leraar die de eerste definitie hanteert, zal overgaan tot repressief en destructief gedrag: leerling monddood gemaakt of verwijderd, probleem opgelost. Bij de tweede definitie zal hij zoeken naar de wens van de leerling. In de hectiek van de dagelijkse lespraktijk kun je soms niet anders dan de leerling als een tijdelijk probleem aan te pakken. Zeker wanneer je de verantwoordelijkheid die je als school hebt tegenover andere leerlingen en collega’s meeweegt. Maar na een incident dat om direct en vaak intuitief ingrijpen vraagt, is het mogelijk samen met de leerling te zoeken naar de oorzaak van het lastige gedrag. En wie in staat is daar erkenning voor te geven, zal merken dat er bijzondere dingen gebeuren wanneer de leerling met dezelfde energie waarmee hij tegenover je stond, naast je gaat staan.


Voor wie meer wil lezen:
P. Weisfelt, Nestgeuren, isbn. : 90 244 1373 7;
H. Oostrik & J. Ruigrok, Wie kiest er nou voor agressie? , isbn. 90 402 0101 3;
W. van Mulligen, P. Gieles en A. Nieuwenbroek, Tussen thuis en school, isbn.; 90 334 4870 X.



naar overige artikelen