Een ‘betere ouder’ bestaat niet!
door Herberd Prinsen
Veel scholen hebben de neiging een sociale vaardigheidstraining in te zetten om kinderen in het gareel te krijgen. Of om ouders "schuldig" te maken omdat zij hun kind(eren) het recht op sociale vaardigheden hebben ontnomen, dan wel het kind te gaan leren waar zijn ouders niet in geslaagd zijn. Deze opstelling heeft vaak een averechts effect en kan zelfs leiden tot grotere problemen. In dit artikel zal ik uiteenzetten hoe een school met behulp van onder andere meerzijdige partijdigheid verbindend kan worden met het kind en zijn ouders, waardoor het mogelijk wordt een dialoog tussen het kind en zijn ouders op gang te brengen. Daarnaast is niet alleen meerzijdige partijdigheid, maar ook het kijken naar de balans tussen geven en ontvangen van het kind met zijn ouders van belang.
Anne is een meisje uit de brugklas, zij wordt erg gepest. Zij praat erg verstandelijk en doet zich ouder voor dan ze werkelijk is; ze kleedt zich in de ogen van haar leeftijdsgenoten kakkerig en tuttig. De mentor heeft het pesten gesignaleerd en met Anne een gesprekje gevoerd. Tijdens dit gesprek oppert de mentor het idee haar aan te melden voor een sociale vaardigheidstraining waarin ze dan kan leren beter voor zichzelf op te komen en contact met anderen te maken. Anne is blij dat haar mentor dit voor haar gaat regelen. Tijdens de ouderavond die aan de training vooraf gaat, komen de ouders van Anne echter niet. Zij hadden al een belangrijke andere afspraak. De mentor zorgt ervoor dat Annes ouders de stencils krijgen die de andere ouders ook hebben gekregen. Hierin staan allerlei adviezen voor ouders van sociaal onhandige kinderen.
De eerste bijeenkomst is Anne er niet. Als de mentor haar vraagt hoe dit komt, zegt ze het vergeten te zijn. Vlak voor de tweede bijeenkomst belt moeder de mentor met de mededeling dat Anne niet meer komt omdat het al wat beter gaat en Anne aan heeft gegeven het niet zo erg te vinden geplaagd te worden en geen vriendinnen te hebben. Moeder geeft nog bij de mentor aan dat het wel overgaat, net als het bij haar vroeger gedeeltelijk is over gegaan. ‘Anne is net als ik,’ zegt moeder. Ook Anne heeft niet zo´n grote behoefte aan contacten met andere mensen.
Dit alles verbaast de mentor, hij is hevig teleurgesteld dat zijn inzet niet opgepakt is.
In je jeugd krijg je waarden en normen mee van je ouders. Deze waarden en normen maken het mogelijk betrouwbare verbindingen met anderen aan te gaan en van betekenis voor jezelf en voor anderen te zijn. We onderscheiden horizontale en verticale loyaliteiten. De horizontale zijn verbindingen tussen collega’s, partners, buren e.d. Verticale loyaliteit bestaat tussen kinderen en (groot)ouders; verticaal omdat zij door generaties heenlopen. Waar in horizontale relaties sprake is van verworven loyaliteit, spreken we bij een verticale relatie van existentiële loyaliteit. De band tussen kinderen en ouders hoort bij het bestaan en is daarom onverbrekelijk. Kinderen ontvangen van hun ouders bij hun geboorte en doorgaans in de daarop volgende jaren aandacht, zorg en liefde. Existentiële loyaliteit verwijst naar de door de geboorte ontstane onbalans die kinderen hebben ten opzichte van hun ouders en van waaruit een behoefte ontstaat om te geven aan hun ouders. Deze onbalans is ontstaan doordat kinderen zich (vaak onbewust) realiseren dat zij zoveel van hun ouders hebben gekregen, tot en met het leven zelf, dat ze het gevoel hebben iets terug te moeten geven: hun loyaliteit. Kinderen hebben van hun ouders vertrouwen en betrouwbaarheid nodig, waardoor zij letterlijk en figuurlijk hun eerste stappen kunnen zetten. Die stappen zijn de beloning van een kind aan zijn ouders voor dat vertrouwen. Het kind heeft daarmee zijn verplichting voor een deel ‘ingelost’. Hierdoor zal het zich vrijer voelen, wat ertoe leidt dat het kind zich kan en mag ontwikkelen. Het kind ervaart dat het ertoe doet.
Wanneer daarentegen kinderen niet in staat zijn passend te geven of wanneer zij niet mogen ontvangen van hun ouders, werkt dat door in de verticale en horizontale relaties. Als het geven van het kind niet wordt gezien, wordt een kind in feite onrecht aangedaan, wat ten koste kan gaan van de individuele ontwikkeling. Het kind kan het gevoel krijgen er niet toe te doen. Een kind mist door de onbalans de vrijheid voor het aangaan van sociale contacten, het kind is niet in staat vertrouwen naar anderen op te bouwen, waardoor steeds meer wantrouwen ontstaat. Doordat het kind altijd meer moet geven dan dat het terugkrijgt, zal het kind uiteindelijk zijn eigen ouders wantrouwen en daardoor ook anderen. De onbalans kan leiden tot een stagnatie in de ontwikkeling, wat uiteindelijk kan leiden tot destructief gedrag. Dit kan bijvoorbeeld het sociaal onwenselijke gedrag zijn dat op school wordt gesignaleerd. Het destructieve gedrag kan in een ultieme vorm zelfs leiden tot zelfdoding.
De rol van de school
De school die een rol pretendeert als heropvoeder, zal zeker bij kinderen met een onbalans tussen geven en nemen weinig resultaat boeken. De vraag die je je dan zou moeten stellen is: hoe komt het dat het zo verleidelijk is als leerkracht op school als betere ouder te willen optreden? Ik denk dat dit vaak te maken heeft met de onderwijzende/belerende rol van de docent. De school mag niet pretenderen dat het maar goed is dat de school er nog is die de 'betere ouder' kan zijn. ‘Het is jammer voor je dat je ouders hebt die je dat niet kunnen leren, maar doe nu maar zoals ik, dan komt het wel goed, want je ziet, ik ben ook aardig terecht gekomen’ is een opmerking die nogal eens door docenten wordt gedacht en soms zelfs ook uitgesproken.
Deze docenten realiseren zich niet dat kinderen altijd loyaal blijven aan hun ouders. Wat zal bovendien de reactie van ouders zijn als ze min of meer te horen krijgen dat de school gaat proberen het kind her op te voeden? Ik denk dat agressie of depressie een meer voor de hand liggende reactie is dan die van 'we hopen dat jullie slagen waar wij faalden'. Het kind kan door een mislukte sociale vaardigheidstraining nog meer het besef krijgen er niet toe te doen en zich nog meer isoleren waardoor er nog meer kans op destructief en depressief gedrag ontstaat.
Meerzijdige partijdigheid
Het niet zien van de onbalans tussen geven en nemen tussen het kind en zijn ouders en een niet meerzijdig partijdige attitude is vaak een belangrijke oorzaak van het niet slagen van sociale vaardigheidstrainingen. Hoe sterk de onbalans tussen ouders en kinderen ook lijkt, uitgangspunt bij een meerzijdig partijdige houding is het besef dat iedereen altijd wil investeren, wil geven, hoe gering het misschien in de praktijk ook lijkt. Daarnaast ziet een buitenstaander altijd beter wat er misgaat in relaties dan de relatiepartners zelf. Misschien is nog wel het belangrijkste aspect dat er in het Nederlandse welzijnswerk en in het onderwijs vaak structureel meer aandacht is voor missers dan voor successen, de focus ligt vaker op het negatieve, op problemen en niet op het positieve.
De mentor heeft, onbedoeld natuurlijk, Anne in een conflict gebracht tussen haar horizontale loyaliteit met haar mentor en haar verticale loyaliteit met haar moeder. In een dergelijke situatie kiest het kind altijd voor de verticale relatie. Dit voorbeeld maakt duidelijk dat de mentor niet meervoudig partijdig was: hij behartigde niet de belangen van Anne en haar context. Verder werden de belangen van ouders niet meegewogen: hoe is het voor de ouders te horen dat de mentor zonder de ouders er echt bij te betrekken, Anne uitnodigt voor een sociale vaardigheidstraining?
In het onderwijs komen we vaak de valkuil van 'het betere ouderschap' tegen. De begeleider die in de rol van betere ouder stapt, neemt de taak van de ouder van de leerling over vanuit het idee dat de ouder het niet goed doet. De mentor van Anne deed dit onbewust en met het beste voor zijn leerling in het achterhoofd. Hij passeerde de ouders van Anne en nam taken over die hun op grond van hun verworven recht, hun ouderschap namelijk, toekomen.
Onbalans
Iedereen die met jongeren werkt, komt situaties tegen waarvan hij denkt: dat zou ik als ouder anders aanpakken'. Vaak is deze gedachte ingegeven door loyaliteit ten opzichte van de eigen ouders. Zeker indien er een onbalans is, waardoor er sociaal onwenselijk (destructief) gedrag ontstaan is, zal de school zorgvuldig moeten handelen. Op het moment dat docenten, mentoren en leerlingbegeleiders beslissen dat voor een leerling een sociale vaardigheidstraining gewenst is, gaat het vaak al fout. Ouders worden met een simpel briefje op de hoogte gebracht dat hun kind moet of mag gaan deelnemen aan een sociale vaardigheidstraining en worden op deze wijze eigenlijk buiten spel gezet. Het gebeurt dat dit zonder diagnostisch gesprek geconcludeerd wordt. Als tijdens het diagnostisch gesprek met een kind blijkt dat er een onbalans tussen geven en nemen binnen het gezin is, zou de school zich moeten afvragen of het deelnemen aan een training wel passend is. Het gewenste effect blijft hierdoor vaak uit. De leerling kan dat wat er tijdens de training aangeboden wordt, niet plaatsen in de eigen thuissituatie.
De school moet trachten bondgenoot te worden met de ouders door met hen een gesprek aan te gaan, waarin aangegeven wordt dat het niet goed gaat op school. Vaak is reactie van de ouders; 'ja, bij ons thuis gaat het ook niet zo lekker’. Natuurlijk zullen de ouders deze informatie als pijnlijk ervaren, maar door ouders als ouders in hun waarde te laten zal er uiteindelijk vertrouwen ontstaan, waardoor ouders bondgenoten worden, die inzien dat er samen naar een oplossing gezocht moet worden. Soms gaan ouders ook zelf de onbalans zien. De school kan de ouders dan adviseren een externe hulpverlener te consulteren.
Het diagnosticeren van kinderen bij wie thuis sprake is van een ernstige onbalans in geven en nemen, is niet eenvoudig maar kan met een meerzijdige partijdige attitude wel gerealiseerd worden. Deze onbalans kan tijdens dit gesprek zichtbaar worden door bijvoorbeeld de volgende contextuele taal te spreken:
Als je aan thuis denkt, wat komt er dan als eerste in je op?
Hoe beschrijf je jouw relatie met je vader? En hoe met je moeder?
Zijn er verwachtingen/opdrachten van je vader naar jou? En van je moeder?
Welke zijn bevorderend en welke belemmerend?
Hoe zorg (wat geef) jij voor je moeder? En hoe voor je vader?
Hoe zorgt (wat geeft) jouw moeder jou? En hoe je vader?
Een trainer die tijdens een sociale vaardigheidstraining meervoudig partijdig is, behartigt de belangen van zowel de leerling als die van de ouders. Door naast de ouders te gaan staan, naar hen te luisteren en hen te helpen bij wat zijzelf als problemen zien, laat je zien dat je de ouders als een gelijkwaardige partner beschouwt, dat je hen steunt in waarschijnlijk de belangrijkste taak die zij zichzelf stellen in het leven: namelijk het grootbrengen van hun kinderen. Ouders zijn en blijven altijd als eerst verantwoordelijke voor de opvoeding van hun kinderen.
De mentor van Anne heeft nogmaals een gesprek gehad met Anne en haar moeder. Tijdens dit gesprek kwam boven tafel dat moeder in haar jeugd ook erg gepest was en nu op haar werk ook nog gepest werd. Nadat moeder Anne had gezegd dat zij het anders mocht doen en de mentor de moeder respectvol had behandeld, kon Anne aan een sociale vaardigheidstraining deelnemen die een half jaar later zou starten.
Op dit moment gaat het met Anne en ook met haar moeder een stuk beter, moeder heeft tegelijk met de training van Anne een hulpverlener in de arm genomen dit met haar op zoek is gegaan naar haar onrecht. Moeder en Anne leren (geven) nu meer van (aan) elkaar, hierdoor is een stap gezet in het aangaan van de verbinding.
Herberd Prinsen is gedurende tien jaar leerlingbegeleider/counselor geweest en is nog steeds actief als docent biologie. Hij verzorgt daarnaast als trainer/adviseur trainingen, lezingen, workshops e.d.Sinds drie jaar heeft hij een eigen praktijk als contextueel hulpverlener
Geraadpleegde literatuur:
W. van Mulligen, P. Gieles en A. Nieuwenbroek, Tussen thuis en school. Acco
M. Michielsen, W van Mulligen en L. Hermkens, Leren over leven in loyaliteit. Acco
Marleen Heylen en Kris Janssens, Het contextueel denken. Acco
M. Herbert, Sociale vaardigheidstraining. Intro
H. Prinsen, C. Spaling en A. Terpstra, Sociale vaardigheidstraining. KPC Groep
naar overige artikelen