Artikel van de Maand
Ik werk dus Ik ben
Door Mirjam Diatlowicki
Amsterdam 11 september 2006, 17.00 uur, Van der Helstplein om de hoek van de Albert Cuypmarkt. Het is stralend weer, alle trottoirs zijn bezet met terrasjes met vrolijk pratende mensen. Uit het café klinkt muziek. Ik zit daar heerlijk in het zonnetje te wachten op een vriendin met wie ik ga eten. Aan één van de andere tafeltjes zit een man van een jaar of veertig met voor zich een laptop, een mobiele telefoon, een map met papieren, een zuigfles, een opgepropt doekje, een speeltje, een lege kop koffie en een pilsje. Hij zit te lezen in een A4tje dat hij losjes in z’n hand houdt. Zo nu en dan kijkt hij over z’n zonnebril naar passerende vrouwen. Opeens begint er naast hem iets te bewegen. De man steekt z’n rechterarm uit en beweegt ritmisch heen en weer. Hij legt z’n papieren weg en pakt liefdevol een baby uit de naast hem staande kinderwagen en geeft die de fles, terwijl hij trots om zich heen kijkt.
Een thuiswerkende vader of een vaderende flexwerker. Zo’n straatbeeld was twintig jaar en waarschijnlijk zelfs tien jaar geleden ondenkbaar. “Wat een ontaarde moeder om haar kind zo aan haar lot over te laten ‘en’ wat een ontaarde vader om zijn kind mee naar de kroeg te nemen, zou er gedacht zijn.” Nu vinden vrouwen het aantrekkelijk, zelfs erotiserend een man in een verzorgende rol met een baby te zien. Mannen lijken steeds meer manieren te zoeken en te vinden om meer tijd met hun gezin door te kunnen brengen. Een man is geen watje meer als hij meer tijd met z’n kinderen door wil brengen. Een vrouw die kiest om een groot deel van haar tijd op het werk en minder met haar kinderen door te brengen kan nog altijd op onbegrip rekenen.
In de jaren na de tweede wereldoorlog, likten de overlevenden hun wonden en stond het leven in het teken van de wederopbouw. Het gezin was de hoeksteen van de samenleving. De man ging ’s morgens de deur uit om te werken en de vrouw bleef thuis om voor het gezin te zorgen. Jongens kozen een beroep waar ze later de kost mee konden verdienen voor hun toekomstige gezin. Vaak werd het beroep van vader gekozen, tenzij je ‘verder kon leren’. Dat was dan iets om trots op te zijn en het gezin was bereid daarin te investeren als dat mogelijk was. De tendens was om aan je eigen soort mensen loyaal te blijven. “Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.” Werk was gericht op het inkomen en dat dan tot ‘je Dreesje’. Ontplooiing of plezier erin hebben, waren niet aan de orde. De baas was iemand om tegenop te kijken of bang voor te zijn, maar niet je sociale gelijke. Meisjes konden naar de huishoudschool, of Mulo als ze goed konden leren. Het beroep was voor hen niet iets voor de lange termijn, maar een zinvolle invulling totdat er een huwelijk kwam. Als meisjes heel graag wilden leren werd dat vaak als een belemmering voor een huwelijk gezien. De traditionele beroepen die acceptabel waren, lagen vooral in het onderwijs en de verpleging. Meisjes die gingen trouwen zegden hun baan op en als ze al bleven werken was dat tot een zwangerschap, waarna ontslag volgde.
De werkplek was voor de man een soort verlengstuk van het gezin van herkomst, waar je je plek had tussen je collega’s en onder je baas. Je ging werken en als alles goed ging bleef je daar en behandelde je je baas met net zoveel respect als je ouders. Vooral in grote organisaties werd het zo georganiseerd, dat de kinderen van een werknemer ook in het bedrijf kwamen werken als de tijd daar was. Bedrijven werden op die manier familiebedrijven. De Gruyter bijvoorbeeld had een eigen weduwe- en wezenfonds. Als een werknemer overleed kreeg de weduwe een pensioen. Als één van haar kinderen oud genoeg was, ging die in het bedrijf werken om op die manier terug te betalen. Daarmee nam het bedrijf een deel van de verzorgende functie van het gezin over en verzekerde zich van een stroom loyale werknemers door de generaties heen.
De jaren zestig en zeventig betekenen een enorme omwenteling in het arbeidsethos. De eerste laag van Maslovs piramide heeft een fundament gekregen. De industrialisering groeit gestaag en de eerste arbeidsplaatsen worden door machines vervangen. Aan de honger naar eten en een dak boven je hoofd is gewerkt, sociale voorzieningen groeien en een andere honger steekt de kop op. De kinderen uit de vijftiger jaren groeien op in een betrekkelijke welvaart. De hele maatschappij lijkt er op gericht te zijn te zorgen dat deze generatie “het beter krijgt dan wij het hebben”. Meer kinderen uit het arbeidersmilieu krijgen de kans om te gaan studeren. De eerste barsten in de economische standaard worden tegelijk pijnlijk zichtbaar o.a. voor studenten, die zien hoe hun vaders zich vaak jarenlang afbeulen en dan ontslagen worden, of met stoflongen in het ziekenhuis terechtkomen. Zij voelen de druk om iets terug te doen en verzetten zich tegen de manier waarop de maatschappij met hen omgaat. De ontwikkeling van het feminisme is explosief. Op de universiteiten en in de vrouwenbeweging groeien ideeën en discussies over persoonlijke vrijheid en ontwikkeling. Studenten zijn niet meer alleen maar bezig zo snel mogelijk af te studeren om hun steentje aan de economie bij te kunnen dragen. Ze ontwikkelen zich breder en het begrip ‘inspraak’ doet z’n intrede. De kledingcode verandert en je kunt opeens niet meer aan iemands uiterlijk zien wat hij doet voor de kost. Vroeger herkende je aan iemands kleding zijn beroep en sociale positie. Tegenwoordig herken je aan het uiterlijk iemands vrije tijdsbesteding, bijvoorbeeld de four wheel drive auto. In dit geval geeft het type auto aan wat je naast je werk belangrijk vindt. Een tv reclame verwoordt het als volgt: "Je hebt je werk, maar er is nog zoveel meer. Je hebt je gezin, maar je wilt vooral genieten." Dat straal je uit en herkennen anderen als je in deze auto rijdt. Marketingstrategieën maken hier gretig gebruik van en maken ons duidelijk welke auto we moeten aanschaffen om ons te profileren. Het ontzag voor ‘de witte jas’ vermindert. Er wordt steeds meer waarde gehecht aan opleiding en minder aan werkend leren. Werken met je handen wordt als minder dan kantoorwerk beoordeeld. De jaren dat je als knecht in de leer ging, het beroep leerde en bij dezelfde baas bleef, liggen definitief achter ons.
Aan het eind van de twintigste eeuw komt het verlangen naar echt vakmanschap boven drijven. Oude ambachten worden weer in ere hersteld. We vinden dat goed vakmanschap beloond moet worden en deze beroepen krijgen mede door de krapte, maatschappelijk een hoger aanzien dan hiervoor het geval was. Daarmee verandert de verhouding tussen handarbeid en witte boordenwerk. Vrouwen zijn het beu dat hun partner een werkweek van zestig uur heeft en zij alleen de dagelijkse zorg voor het gezin dragen. Steeds meer vrouwen en meisjes krijgen een goede opleiding en blijven (deeltijd) werken als ze trouwen. “Een slimme meid is op haar toekomst voorbereid”. In meer gezinnen is het bespreekbaar dat de man (iets) minder buitenshuis gaat werken.
Inmiddels zijn we in de 21ste eeuw beland en willen we dat werk een levensvervulling is, het liefst een roeping. Of zoals Eli Asser in zijn interview elders in dit themanummer zegt: “Als ik m’n werk niet gehad had, denk ik niet dat ik nog geleefd had. Ik zou mezelf verwaarlozen en niet weten wat ik zou moeten doen”.
De individualisering heeft z’n intrede gedaan. We streven er naar om een goede ‘work/life balance’ te vinden. De balans tussen werk en privé zoeken, onze grenzen in de gaten houden, daar gaat veel tijd en energie in zitten. De opdracht tot opbouw van het land heeft z’n relevantie verloren. Net zoals de loyaliteit aan één baas. We voelen ons niet meer gebonden aan de werkgever, maar zoeken een nieuwe werkplek of zelfs heel ander werk, als we ons niet meer thuis voelen op of in ons werk. Het lijkt alsof de huidige generatie dertigers het beleeft als stilstand of mislukking van hun carrière, als ze langer dan twee jaar bij dezelfde onderneming werken. De keuze die Kafka in zijn tijd maakte -hij wilde z'n baan niet opzeggen om te gaan schrijven als professie- is uit de tijd. Z'n werk hoefde hem niet de vervulling te geven, slechts een inkomen. Daardoor kon hij zich 's avonds wijden aan z’n passie en vervulling: het schrijven.
Velen zullen het er mee eens zijn, dat gezondheid en intieme relaties de belangrijkste zaken in het leven zijn. Maar de dagelijkse praktijk laat zien, dat we onze gezondheid gemakkelijk op het spel zetten als dat ‘nodig’ is en relaties worden vaker verwaarloosd dan werk. Als mannen bereid zijn om werk en daarmee inkomsten in te leveren, om meer tijd met het gezin door te brengen, dan wordt daar vaak een verontschuldiging aan gekoppeld. Voor vrouwen ligt die weg meer open. Sterker, de opvatting is dat je dan je moedergevoelens volgt. Het volgen van vadergevoelens heeft nog steeds als prijskaartje het verlies van ‘maatschappelijke status.’
Eigenlijk is het “werkschuwe langharige tuig” uit de zestiger jaren nog steeds op zoek naar eigen betekenisgeving en dus “werkschuw”. Niet in de zin van luiheid, maar in de zin van arbeidsmoraal. Die is veranderd van een arbeidsmoraal naar een vrijetijdsmoraal. Maar arbeid adelt nog steeds. Zonder werk is het lastig genieten van je vrije tijd, of zoals iemand zei: ‘De rust van het niet hoeven werken werd een leegte toen ik niet meer kon werken’. Een sabbatical is aantrekkelijk als het duidelijk is dat de opgedane energie en creativiteit weer ingezet kunnen worden in het arbeidsproces. Werklozen zijn niet blij met de vrijheid hun eigen dag in te delen, maar proberen uitleg te geven hoe het zo gekomen is en begrip te kweken. Een onvrijwillig werkloze cliënt verwoordde het als volgt: ‘Vroeger vond ik het heerlijk om met de hond in de buurt te gaan wandelen als ik eens een vrije dag had door de week. Nu laad ik hem in de auto en ga ergens anders met de hond wandelen, want ik wil niet dat de buren denken dat ik de kantjes er van af loop als ze me iedere dag zien wandelen.’ De zoektocht is niet naar een baan met zekerheid en een goed pensioen, maar naar zingeving en van betekenis zijn. We willen onze ziel en zaligheid in ons werk leggen en er onze identiteit aan ontlenen. We willen ons verbinden aan en ons verbonden voelen met. En als ons dat al lukt wordt het tegelijk ons kwetsbare punt. Want verlies van werk wordt dan verlies of diefstal van de ziel, afhankelijk van de vrijwilligheid. Het lijkt soms of de onvervulde verlangens in ons leven worden geprojecteerd naar het werk om daar vervuld te worden, in plaats van ze te zoeken bij de bron. Op die manier betrokken werknemers zullen zichzelf op het werk blijven inzetten tot het uiterste en vaak nog een stapje verder. Daarmee is de betekenis van het werk niet veranderd, maar is de inhoud van die betekenis veranderd. Van materie naar emotie, van een bron van inkomsten naar een bron van betekenisgeving.
De opdracht die jongeren tegenwoordig krijgen is vaak dubbel. Aan de ene kant moeten ze een beroep kiezen waarin ze zich kunnen ontwikkelen, zich gelukkig voelen en waarin ze hun talenten kunnen ontwikkelen. Aan de andere kant laat de maatschappij zien dat met geld alles te koop is. Het is er ouders alles aan gelegen dat kinderen een goede opleiding krijgen, liefst zo hoog mogelijk. Het belang van ‘inhoudelijk gedegen onderwijs’ is hiermee veranderd naar de waarde van het ‘diploma’. Barbara Krasner verwoordde dat als: ‘Het is makkelijker je verantwoordelijkheden op te nemen dan je vrijheden’. Oftewel liever een burn-out dan een outcast. Is er ondanks alle ontwikkelingen wezenlijk iets veranderd aan de betekenis van werk voor het menselijke zijn?