Artikel van de Maand
Verwijzen van leerlingen
doorgeven van vertrouwen
Door Wim van Mulligen en Ard Nieuwenbroek
Bij begeleiden hoort verwijzen. Iedereen heeft er ieder schooljaar mee te maken. Voor veel begeleiders is het een moeilijk onderdeel van het vak. In dit artikel verkennen we die moeite en geven voorbeelden van hoe een verwijzing succesvol verloopt.
Verwijzing ligt voor leerling en begeleider niet zo gevoelig als het gaat om min of meer zakelijke problemen: de logopedist, huiswerkhulp, remedial teacher bij woordbeeldproblemen of een bureau voor beroepskeuze. Maar als het probleem de leerling dieper raakt, is verwijzen moeilijker en vraagt het om extra zorg. Vaak ook heeft de begeleider te maken met verstoorde verhoudingen thuis. Verwijzing is dan dikwijls noodzakelijk, al was het alleen maar omdat het niet op het terrein van school ligt om ouders en gezinnen te begeleiden.
Interne/externe verwijzing
Uiteraard kan een begeleider ook binnen school intern verwijzen naar een collega. Zo verwijst een mentor een faalangstige leerling naar de faalangsttrainer. Of brengt een mentor zijn mentorleerling in contact met de decaan of leerlingbegeleider. Een mentor kan ook tot interne verwijzing overgaan naar een collega-mentor als bijvoorbeeld de problematiek van een leerling te dicht raakt aan eigen (onverwerkte) emotionele ervaringen. Wanneer doe je er goed aan een leerling naar een externe professionele hulpverlener te verwijzen? Waar ligt de grens waar begeleiding in schoolverband moet overgaan in therapeutische hulp door een deskundige of instelling buiten de school? Drie factoren bepalen die grens.
- De eerste is de deskundigheid van de begeleider. De ene begeleider is veel uitgebreider geschoold en getraind of heeft een bredere ervaring dan de ander. De eerste hoeft minder snel te verwijzen dan de tweede.
- De tweede factor wordt ontleend aan doel en taak van de school. De school is een pedagogisch-didactisch, geen therapeutisch instituut. Binnen de school werken pedagogisch-didactische deskundigen, buiten de school vinden we professionele therapeuten binnen de GGZ of vrij gevestigd. Meestal is het onverstandig als een begeleider in school zich opstelt als therapeut. Exact is de grens niet gemakkelijk te trekken want een begeleidingsgesprek op school en therapie buiten de school kunnen elkaar een heel eind overlappen.
- Ten derde wordt de grens bepaald door het mandaat dat de begeleider krijgt van de school. Dat is het geheel van regels, afspraken en gewoonten, die per school anders zijn, over de leerlingbegeleiding. Soms wordt erin aangegeven wanneer een begeleider moet verwijzen en hoeveel tijd hij globaal aan afzonderlijke leerlingen mag besteden, om te garanderen dat hij in principe beschikbaar is voor alle leerlingen.
Overdragen van vertrouwen
Het is extra moeilijk om een leerling te verwijzen als er door de begeleiding een sterke vertrouwensband is gegroeid. En toch is die vertrouwensband nodig om een verwijzing succesvol te laten zijn. Te snel verwijzen, zonder opgebouwd vertrouwen, leidt meestal tot een mislukte verwijzing.
Het is bekend dat bij zwaardere emotionele problematiek, zoals bij seksueel misbruik en kindermishandeling, een leerling vaak lange tijd ‘de kat uit de boom kijkt’, voordat de eerste voorzichtige stap naar de leraar of mentor wordt gezet. Deze worden maanden, soms zelfs jaren, getest en geobserveerd op hun betrouwbaarheid en stevigheid. Als een leerling dan eindelijk de eerste stap heeft gezet en na een klein uurtje met een verwijsbrief in zijn handen staat, gaat de verwijzing niet lukken.
Het ligt voor de hand dat niet alleen de begeleider het moeilijk vindt om die relatie te verbreken. De leerling die zich geopend heeft en zich toevertrouwde aan de zorg van de begeleider, kan zich zelfs verraden voelen als de begeleider die band wil verbreken en hem overdraagt aan een onbekende met wie hij opnieuw dat hele proces moet gaan doorlopen. Dat belooft geen ideaal begin van het contact met de nieuwe begeleider. Wie verwijst moet er alles aan doen om ook het vertrouwen over te dragen. Hoe doe je dat? Eerst helpen we de leerling te beseffen dat de vertrouwensband niet beschaamd wordt, maar dat hij alleen echt geholpen kan worden door een verwijzing, zoals bij Inez:
"We zijn het met elkaar eens dat je wat aan je probleem wilt doen. Hoe graag ik je daar ook bij wil helpen, ik weet van mijzelf dat ik daar te weinig deskundig in ben en ik wil je niet aandoen dat ik je misschien een verkeerd advies geef. Ook wil de school niet dat ik zoveel tijd alleen voor jou gebruik en dat dus andere leerlingen tekort komen. Ik ben juist heel blij voor je dat je bij mevrouw Kleinen van het GGZ terechtkunt; ik weet niet hoe ik je beter had kunnen helpen dan door juist haar hulp te vragen."
Vervolgens is het van groot belang voor de verdere opvang dat de leerling geholpen wordt om van meet af aan de nieuwe hulpverlener te vertrouwen. Bijvoorbeeld:
"Ik ken mevrouw Kleinen goed, ik heb regelmatig contact met haar. Ze is begrijpend en meelevend en ze heeft veel ervaring. Ik weet zeker dat ze je echt wil helpen.”
Zoiets kan de mentor vanzelfsprekend alleen zeggen als dat ook waar is! Tegelijkertijd werkt de begeleider aan de verbinding tussen leerling en hulpverlener. "Vind je het goed als ik jouw situatie alvast aan haar uitleg? Wil je haar zelf bellen of heb je liever dat zij jou belt?"
Natuurlijk, de teleurstelling is groot. Die moet de begeleider niet wegwuiven, maar erkennen. "Ik zie hoe moeilijk dit voor je is. Ik zal aan mevrouw Kleinen vragen of ze zich goed wil realiseren dat het voor jou moeilijk is om naar haar toe te gaan".
Hopelijk geeft de nieuwe hulpverlener aandacht aan de verwerking van de 'rouw' over het verlies van de vertrouwensrelatie met de leraar. Dat zal de therapeut aan het begin erkennen om een eerste fundament voor het nieuwe vertrouwen te leggen.
"Het is best moeilijk voor je om nou ineens bij een vreemde te moeten komen. Maar ik zal je vertellen wat ik al over je weet van je leerlingbegeleider."
Loslaten
Ook de mentor, die door te verwijzen de vertrouwensband met een leerling moet doorgeven, komt als het ware in een 'rouwproces' terecht, vooral als hij na de verwijzing niets meer hoort. Ook heeft hij meestal behoefte aan erkenning en aan evaluatie van zijn eigen begeleidingshandelen. Maar zoals hij zelf de privacy van de leerling beschermde, zo doen psychologen volgens hun beroepscode geen mededelingen over de behandeling. Verwijzen betekent echt: overdragen en los laten. Je mag dus ook niet alsnog de leerling bij je roepen en uitvoerig navragen wat er allemaal in de therapie is gebeurd. Wel heb je het normale contact met deze leerling zoals met andere: een knipoog in het voorbijgaan, een praatje in de gang: "Hoe is het met je?" Na een paar weken kun je vragen: "Hoe gaat het bij je nieuwe begeleider?" zonder op de inhoud door te vragen: je vraagt dan alleen of de verwijzing gelukt is. Dit alles geldt ook voor een interne verwijzing naar een schoolfunctionaris. Wel doet de therapeut, naar wie verwezen is, er goed aan na enige tijd contact met de verwijzende mentor op te nemen en even over de verwijzing zelf te praten, als erkenning van wat de leraar deed. Bijvoorbeeld: de therapeut belt de mentor van Inez:
“Ik bel je even om je te melden dat ik met Inez gesproken heb. Dank voor je verwijzing. Ik ga nu met haar op weg naar een bredere diagnostiek en dat zal wel een poosje duren. Wat je mij aan informatie hebt gegeven over haar verstrooidheid en gebrek aan concentratie en over de situatie thuis heeft mij op weg geholpen om de richting te vinden die in de diagnostiek gevolgd moet worden, en daar gaan we nu mee beginnen. Dank je wel”
De therapeut geeft erkenning aan de mentor maar zegt alleen dat de verwijzing zelf goed gegaan is. De mentor weet nu: ik kan het kind met een gerust hart aan deze arts overlaten. Hij heeft vertrouwen gegeven aan de professional en hij heeft er iets voor teruggekregen om dat vertrouwen in balans te houden.Ons advies is dan ook om, vanuit het Zorg Advies Team, een sociale kaart rondom de school te maken waarbij het vooral gaat om persoonlijke contacten!
Ouders
Het verwijzen van leerlingen kan, in principe, niet zonder daarover intensief contact te hebben gehad met de ouder(s). Een school heeft van ouders een gedelegeerde opvoedingsverantwoordelijkheid en kan die niet ‘zo maar’ overnemen. In feite zijn het dan ook de ouders die hun kind aanmelden bij een externe hulpverlener. Natuurlijk kan dat niet altijd even gemakkelijk. Zeker als de problematiek nauw samenhangt met ouders is het een hele uitdaging ouders in de verwijzing te betrekken.
Ard Nieuwenbroek en Wim van Mulligen zijn trainer/therapeut bij Ortho Consult in Esch
Piet Gieles was werkzaam als onderwijsbegeleider bij KPC Groep in Den Bosch
Mulligen, W. c.s.(2001) , Tussen thuis en school. Acco, Leuven