Verslag middagsymposium 'Krassende leerlingen'
Middagsymposium Ortho Consult zeer goed ontvangen

Maar liefst 250 belangstellenden bezochten s in de Brabanthallen in ’s-Hertogenbosch het middagsymposium ‘Krassende leerlingen’. Daar spraken drie deskundigen over het verschijnsel automutilatie. Uit onderzoek van organisator Ortho Consult blijkt dat op vrijwel elke school leerlingen te vinden zijn die zichzelf krassen, snijden, branden of op andere wijze beschadigen. De aanwezigen kregen een schat aan informatie over de ‘ontmoeting met automutilerende leerlingen’. Naast de lezingen over het onderwerp, presenteerde Ortho Consult ook de eerste Houvastkaart. Ook was er aandacht voor het praktijkboek, dat in januari verschijnt bij Ortho Consult en werd de nieuwe praktijktraining over dit onderwerp geïntroduceerd.

Dagvoorzitter Dorian Verhagen opende op 16 november het middagsymposium van Ortho Consult met een ontroerend relaas uit de Volkskrant over een meisje: 16 jaar, net klaar op het vmbo, op voet van oorlog levend met haar moeder, terwijl stiefvader haar slaat. De kinderrechter beslist over het lot, doet zijn uiterste best om Maartje en moeder weer met elkaar in contact probeert te brengen. Maar moeder is verbitterd. ‘Maartje kan wel van alles willen, maar het komt de eerste 20 jaar niet meer goed,’ zegt ze tegen de kinderrechter. Een moeder die ooit het leven gaf en vervolgens de existentiële band wil verbreken. Veel erger kan je als kind niet overkomen.

Dit verhaal vertelt het verhaal van een kind dat besluit over te gaan tot automutilatie. Elk kind dat zich verwondt heeft een historie, al is het niet altijd zo dramatisch als bij Maartje.

Drie deskundigen, ingeleid door Dorian Verhagen, spraken tijdens het middagsymposium over het vaak onbegrepen automutilerende gedrag van kinderen. In de media was te zien dat het probleem leeft: van Catherine Keijl tot het Jeugdjournaal, allen hadden ze vorige week aandacht voor kinderen die automutileren. Zelfbeschadigend gedrag kent vele betekenissen en is te zien in vele vormen: krassen, snijden, branden tot zelfs het breken van botten. Bij zoveel zelfdestructie zijn begeleiders soms geneigd te roepen: ‘Dit moet stoppen!’ Tijdens het middagsymposium stond een ding steeds centraal: Je moet je eerst richten op de kwetsbaarheid en je moet de innerlijke pijn erkennen. Het automutilerende kind schreeuwt om aandacht en is niet geholpen met een belerende vinger van zijn mentor.



Automutilatie in het onderwijs, een verslag van een actuele inventarisatie van dit probleem
Door Ard Nieuwenbroek

Vanaf april van dit jaar was op www.orthoconsult.nl een vragenlijst te vinden. Centrale vraag aan scholen: hoe staat het in Nederland rondom thema automutilatie. Ard Nieuwenbroek presenteerde in zijn lezing de resultaten van het onderzoek. ‘We hadden hypotheses vooraf, we wisten uit reacties van scholen dat automutilatie veel voorkomt op scholen. Met deze steekproef wilden we antwoord krijgen op een aantal vragen: ‘Klopt het dat op veel scholen sprake is van kinderen die zichzelf beschadigen? Hoe gaan mensen in school daarmee om? Schrikken ze, of negeren ze het. Hoe handelen leerlingbegeleiders richting ouders? Hoe verwijzen scholen, of verwijzen ze niet en gaan ze zelf aan de gang?’

Maar liefst 110 scholen (van de totaal ruim 600) gaven gehoor aan de oproep van Ortho Consult en stuurden een ingevulde vragenlijst op. 108 scholen zeggen vorig schooljaar een of meerdere keren te maken te hebben gehad met automutilerende leerlingen. Dit signaal was reden voor Ortho Consult om de publiciteit te zoeken met de boodschap: ‘Op vrijwel elke school komen leerlingen voor die zich automutileren.’ Een boodschap die vorige week door veel radio- en tv-programma’s uitgezonden werd.

De scholen die de vragenlijst retourneerden, noemden diverse soorten van automutulatie. De meeste meldingen betreffen leerlingen die zich op armen of benen krassen. Ook het maken en openhouden van wondjes wordt vaak genoemd. Begeleiders krijgen het signaal van automutilerende leerlingen vaak van collega’s of klasgenoten van de betreffende leerling. Slechts een keer wordt vermeld dat de ‘krassende leerling’ zich zelf meldt bij een leerlingbegeleider. En dan? Wat moet je doen als je weet dan een leerling zichzelf krast, snijdt of brandt? Het is te simpel om te zeggen: ‘Ik wil dat dit stopt.’ Natuurlijk willen we allemaal dat het stopt, de krassende leerling voorop, maar zo werkt het niet. Het is de kunst om je als begeleider niet te richten op de krassen die je gezien hebt. Nieuwenbroek haalde ter illustratie een e-mailtje aan, dat hij naar aanleiding van alle media-aandacht kreeg van een automutilerende leerling: ‘Zeg ze maar bij het symposium dat ze hun oren en ogen open moeten houden, want ze zijn vaak zo blind en doof!’



Krassen: destructief gedrag op basis van onrecht
Door Wim van Mulligen

‘Eigenlijk zijn jullie vandaag hier om antwoord te krijgen op drie vragen,’ zegt de tweede spreker tijdens het middagsymposium, Wim van Mulligen.

  1. Hoe is het in vredesnaam mogelijk dat iemand zich beschadigt? Er is vaak een onvermogen om je dat voor te stellen.
  2. Wat is nu eigenlijk automutilatie?
  3. Wat kan ik hier in vredesnaam aan doen? Hoe kan ik een bijdrage leveren bij iets waarvan ik helemaal niets begrijp?

Automutilatie komt heel veel voor. In psychiatrieboeken is weinig helderheid over automutilatie. Van Mulligen zoekt daarom antwoorden bij de mensen die automutileren. Er is sprake van een buitengewoon grote innerlijke spanning. De binnenwereld is niet meer in contact met buitenwereld. Bij ieder mens die automutileert, blijkt er in de geschiedenis veel narigheid voorgekomen te zijn. Van Mulligen vergeleek de ondragelijke spanning met een ballon die je opblaast: als de druk te groot wordt klapt hij kapot. Bij leerlingen die automutileren is de druk, net als bij de ballon, ondragelijk geworden, waardoor de kans op exploderen toeneemt. Als de spanning er niet uit kan, kan het leven niet verder!

Wat is nu eigenlijk automutilatie? Ook op deze tweede vraag gaf van Mulligen een helder antwoord met sprekende voorbeelden. Bij automutilatie gaat het om snijden en branden van jezelf, maar automutilatie ligt veel dichter bij dan we denken. Wie zegt niet eens tegen zichzelf: ‘Ik kan me wel voor mijn kop slaan.’ En wie kent in zijn familie niet een nagelbijter, die de nagels korter maakt dan dat je ze met een schaartje kan krijgen. Of wat te denken van de piercing en de tattoo. Van Mulligen noemde deze vormen van ‘automutilatie’, om het onbegrip voor de ‘daad’ te verkleinen.  Bij automutilatie is een hoge mate van schuldgevoel: ik functioneer niet goed. Naast de schuld is er ook nog de schaamte. Je weet niet meer wat je doet, de spanning is zo groot. Pas als een automutilerend kind uit een roes wakker wordt, ziet hij dat hij iets gedaan heeft wat hij niet wil en zelf ook niet begrijpt.

Met dit voorbeeld kwam Van Mulligen terecht bij slotvraag: Wat kun je in vredesnaam doen als een leerling zichzelf snijdt? Vraag in ieder geval niet: ‘Leg eens uit, waarom doe je dat?’ Het antwoord op die vraag kent het kind ook niet. Automutileren gebeurt in een roes, het biedt even een groot gevoel van opluchting, de spanning is even weg. Begeleiders voelen zichzelf machteloos als ze met een automutilerende leerling te maken krijgen. Van Mulligen signaleert in het werkveld vaak de aanpak die gericht is op gedragsverandering: ‘Je stopt nu, vandaag, op mijn gezag!’ Het zou beter zijn als je als begeleider het achterliggende onrecht blootlegt. Bij onrecht hoort recht op genoegdoening. Na onrecht kijken we in de wereld rond of iemand ons ziet, of iemand daar op ingaat, of iemand waarneemt of er iets over zegt. Automutileren is een boodschap: ‘Zie mij en zuig je niet vast op het probleem!’ Probeer ook te zien wat een leerling investeert. Zeg niet alleen: dat doe je fout, maar zeg ook dat doe je goed. Zoals de leerling mailde: Houd je oren en ogen open. En neem de tijd. Een leerling die over automutilatie vertelt aan zijn mentor, staat al maanden op het punt dat te gaan vertellen. De drempel is enorm. Als er eindelijk de moed is, dan zakt de moed in de schoenen als de begeleider na tien minuten zegt: ‘Jij moet hulp zoeken!’ Win het vertrouwen van de leerling en geef dat vertrouwen als het nodig is door aan een therapeut.



De ontmoeting met zelfbeschadiging
Door Piet Weisfelt

‘Ze was zo verwond, dat woede angst en verdriet zich samenbalden in een wolk van pijn.’ Met deze woorden opende Piet Weisfelt zijn lezing. ‘Ik heb pijn, schreeuwde ze op een vol schoolplein. Muren echode terug: ‘pijn, pijn, pijn.’ Niemand reageerde, waarna ze overging tot het zichzelf verwonden.’ Piet Weisfelt nam de aanwezigen tijdens zijn lezing mee in de wereld van de leerling en de begeleider. Alle 250 aanwezigen gingen op verzoek van Weisfelt op zoek naar een persoonlijke ervaring in het verleden, waarbij ze op de een of andere manier niet gehoord werden. Met deze ervaring in de vuist, maakten de aanwezigen een arm bloot en ‘krasten’ ze met een pen over de arm. Het was een bijzondere manier om leerlingbegeleiders iets meer te laten begrijpen waarom kinderen tot in onze ogen onbegrijpelijke daden overgaan. Daden die weerzin oproepen. De heftige reactie – ‘Stop daarmee!’- van een begeleider is begrijpelijk. Maar, zo stelde Weisfelt, we realiseren ons niet dat we dan tegen de automutilerende leerling zeggen: ‘Zwijg!’

Met een tweede oefening maakte Weisfelt duidelijk hoe begeleider en leerling met elkaar geconfronteerd worden. Het is niet alleen de leerling die een verhaal heeft, ook de begeleider heeft een verhaal en die wordt geconfronteerd met iets dat hij ervaart als iets afschuwelijks. We willen te vaak problemen oplossen. Die opdracht is in essentie onmogelijk.

Oefening drie was er op gericht een begeleider te laten ervaren hoe het is om de overtuiging van een ander te veranderen. Hoe vertel je een leerling die vindt dat hij faalt, dat jij juist wel waardering hebt voor diens bestaan? Weisfelt:

‘Er is nog nooit in de wereldgeschiedenis een overtuiging veranderd door een ander mens te overtuigen. Overtuiging verandert, doordat een nieuwe overtuiging groeit uit ervaring van het hier en nu, uit een ontmoeting.’

Weisfelt sloot zijn boeiende lezing af met een aantal aandachtspunten en handreikingen voor begeleiders.

Aandachtspunten:

  1. Heb aandacht voor de relatie voor de persoon. De relatie gaat altijd boven het probleem dat de relatie met zich meebrengt.
  2. Het aanbieden van een nieuwe ervaring is de basis voor het leren van een nieuwe overtuiging. Als je in staat bent een leerling werkelijk aandacht te geven, dan is dat de eerste bouwsteen voor een automutilerende leerling om te kunnen gaan voelen: ‘Misschien toch niet zo slecht als ik dacht!’
  3. Neem de tijd: kwantitatief en kwalitatief. De intensiteit van de ontmoeting is precies zo belangrijk als de duur en de frequentie.

Handreikingen:

  1. Creëer altijd een klimaat van ontmoetingen. Zonder dat klimaat kan het verhaal niet gehoord worden.
  2. Durf te leren van je leerlingen, ook al zijn die lessen soms niet makkelijk te verteren.
  3. Als je de bereidheid hebt om de binnenwereld van de leerling te ontmoeten, realiseer je dan dat dat onmogelijk is als je niet bereid bent je eigen binnenwereld te ontmoeten.
  4. Zorg voor professionele afstand.
  5. Ieder vakmanschap bestaat dankzij de erkenning van de begrenzing ervan. Doorverwijzing is een belangrijk goed, maar is buitengewoon lastig.
  6. Leer jezelf om werkelijk te kijken en te horen en te ervaren dat de meeste leerlingen altijd weer zullen komen met het verhaal dat verborgen ligt achter het verhaal waarmee ze komen.

In essentie is automutilatie een aanklacht tegen gebrek aan gewoon gezonde liefde! De essentie van het antwoord is dus: geef liefde!